Snijbranders
Autogeen Snijbranders
De autogeen snijbrander kent vele benamingen. Vaak wordt hij aangeduid als snijapparaat of brander, maar soms ook als schrootbrander. De snijbrander wordt vooral veel gebruikt in de metaalverwerkende industrie en op bouwplaatsen. Soms is hij ook te vinden op recyclingterreinen voor het in stukken snijden van grote metalen delen. De standaard bouwlengte van een snijbrander ligt tussen 460 en 1250 mm.
Een brandende vlam, vergelijkbaar met die van een snijbrander, verhit het te snijden materiaal tot de ontbrandingstemperatuur (meestal boven de 1000 °C). Wanneer de snijzuurstof wordt toegevoegd en onder druk in de gloeiende vlam wordt geblazen, verbrandt het materiaal en wordt de slak door de vlam verwijderd. Voor de gloeiende vlam wordt acetyleen of een mengsel van propaan en zuurstof gebruikt.
De ontbrandingstemperatuur van het te snijden metaal mag niet te hoog zijn en het gevormde oxide moet bij bedrijfstemperatuur vloeibaar zijn. Dit geldt in principe alleen voor ongelegeerd en laaggelegeerd staal. Staal met een treksterkte van 800 N/mm² of meer moet worden voorverwarmd. Anders ontstaan op het snijvlak en in de warmte-beïnvloede zone brosse en harde moleculaire structuren (martensiet). Gietijzer kan vanwege het hoge koolstofgehalte en daarmee het lage smeltpunt niet worden gesneden [1].
Het voordeel van deze methode is dat grote materiaaldiktes (tot 300 mm en in speciale uitvoeringen tot 1000 mm) met relatief kleine en lichte gereedschappen bij hoge snelheden kunnen worden gesneden. Bij handmatig snijden hoeft het werkstuk meestal niet tegen het materiaal gedrukt te worden. De toepassing wordt beperkt door brandgevaar, materiaalveranderingen aan de snijkant en vooral door de spanningsstaat van het werkstuk.